Reacties

Definitief rapport kwartiermaker over transgenderzorg — 1 reactie

  1. Ik sta net als in deze aankondiging versteld over wat deze kwartiermaker in korte tijd voor analyse op tafel weet te leggen. En natuurlijk mogen wij absoluut niet verwachten, dat zo’n kersverse kwartiermaker met een nieuwe blik op deze materie alle bestaande heilige huisjes binnen de kortste keren even omver weet te blazen. Maar diverse belangrijke knelpunten zijn in ieder geval wel gedetecteerd en in zijn beschouwing opgenomen.

    Een zeer positief aspect vind ik aan het einde van paragraaf 7 op pagina 25 , dat deze kwartiermaker al in 2019 een seminar met alle bij onze transgenderzorg betrokken partijen wil beleggen, waarbij tevens buitenlandse experts hun ervaringen naar voren kunnen brengen. In de bijlage wordt vanaf pag. 29 een beeld geschetst van wat op dit vlak in andere landen aan ervaringen is opgedaan. Nederland was natuurlijk in 1975 pure koploper in Europa en creëerde in 1988 nota bene de eerste leerstoel Transseksualiteit aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Maar luidde dit niet tevens een periode van de “remmende voorsprong” in ?

    Het VUmc transgenderbeeld was in 1970 natuurlijk primair bepaald door enerzijds travestieten en anderzijds “transseksuelen” zoals Corine (blz. 223 in Nieuwe Namen), die volledig via intensieve zelfdiagnose tot de beslissing kwamen, dat een noodzakelijke oplossing voor hun leven lag in een zelf betaalde gang naar dokter Burou in Casablanca. Het VUmc wilde deze behandeling dus ook binnen Europa mogelijk maken. Maar in ons zorgstelsel is daar, om deze via ons verzekerstelsel vergoed te kunnen krijgen, een DBC voor nodig, waarna zo’n behandeling ook voor vergoeding door zorgverzekeraars in aanmerking kan komen.

    Natuurlijk zijn zorgverzekeraars benauwd over vergoeding van behandelingen, die wel (veel) inspanning en geld kosten, maar mogelijk te vaak niet met een bevredigend resultaat worden afgesloten. Het VUmc zou daarvoor een afspraak met de zorgverzekeraars hebben gemaakt, dat zij de kans op het niet volledig afmaken van opgestarte behandelingen zo veel mogelijk zou minimaliseren. Dat lijkt de primaire reden voor die zeer intensieve eerste psychiatrische (in mijn ogen “Ivoren Toren”) diagnose van het VUmc Gender team , of de betrokken patiënt inderdaad wel echt bewezen aan “genderdysforie” lijdt . Deze diagnose is de eerste stap in het enige VUmc transgender behandel protocol, dat volgens de laatste alinea van pagina 12 van dit kwartiermaker advies door transgenders als een uniform en onvoldoende persoonsgerichte “one-size-fits-all benadering” wordt ervaren.

    Op pagina 5 wordt in de derde alinea reeds gesuggereerd, dat de tijd waarin men op de wachtlijst staat, volgens buitenlandse voorbeelden (zie o.a. ad.2) wellicht bruikbaar zou zijn voor activiteiten die later het traject kunnen bekorten. Onder ad.3 wordt aangedrongen om op langere termijn te werken aan een andere intake procedure.

    Op pagina 9 wordt in de laatste zin voor paragraaf 2.2 geconstateerd, dat er nu reeds grote verschillen in behandelwensen zijn en dat deze in de toekomst wellicht nog een grotere diversiteit zullen gaan vertonen. Recent meldde zich bijvoorbeeld al een V/M transgender bij de poly van het VUmc Gender Team aan met het verzoek of zij de controle op zijn hormoongebruik zouden kunnen overnemen. Deze transman had onder eigen regie reeds een ingrijpende hormonenkuur met controle ondergaan, ziet er ook al uiterst overtuigend als man uit en leeft ook al enkele jaren als zodanig, heeft ook al een “M” indicatie in zijn paspoort en heeft inmiddels ook in Thailand al een geslachtsveranderende operatie ondergaan. Maar toch werd zijn verzoek aan ons KZcG door het VUmc beantwoord met een brief gericht aan “Mevr. …… (!)“, met de mededeling dat zij dan eerst maar even twee jaar in de wachtkamer moest plaatsnemen om vervolgens eerst via de VUmc diagnose te laten vaststellen, of hij inderdaad wel aantoonbaar aan genderdysforie lijdt.

    Halverwege pagina 10 wordt gesteld, “dat sprake kan zijn van een lichter, sneller of zwaarder langdurig zorgtraject. Op basis van de interviews schatten we in dat bij de helft tot twee-derde van de transgenders een lichter traject volstaat” . Daarbij vraag ik mij af, of hiervoor niet meerdere afzonderlijke protocollen zouden moeten worden ontwikkeld en of echt in al die gevallen zo’n multidisciplinaire aanpak daarbij zo absoluut noodzakelijk is. M.i. zou de transgenderzorg ook beter worden opgesplitst in kleinere stappen. Daarin zou elke transgender zelf stapsgewijs tot de overtuiging moeten kunnen komen, welke stappen er sinds de eerste ontdekking van die transgender gevoelens, wel of niet noodzakelijk zijn om deze gevoelens op een verantwoorde manier in het toekomstige leven in te bedden.

    Ook aan het einde van de eerste alinea op pagina 21 komt men hier nader op terug met : “Juist omdat de populatie van transgenders diverser wordt, en de behoeftes meer uiteenlopen, is meer inzicht nodig in die behoeften. Een groot deel van de mensen in het zorgpad hebben geen behoefte aan alle beschikbare medische behandelingen. Meer inzicht in deze ontwikkeling is nodig om een goed aanbod vorm te kunnen geven”.

    Op dit punt blijkt het verschil van inzicht tussen de Kwartiermaker en het KZcG van het VUmc nog bijzonder groot. Want in de eind 2014 versie van het enige beschikbare VUmc behandelprotocol voor transgenderzorg wordt dit diversiteitsaspect uitsluitend in de inleiding even aangehaald met de opmerking : “Het huidige protocol is geschreven in termen van transitie, maar op geleide van de wens van patiënt kan aan de hand van dit protocol een individueel behandelplan worden opgesteld”.

    Onderaan pagina 18 wordt daar nog nader op ingegaan met het oog op de huidige wachttijden tot een eerste behandeling : “Wij denken dat deze keuze moet worden heroverwogen, zeker bij kwetsbare adolescenten. Als transgenders sneller kunnen beginnen aan een zorgtraject, krijgen ze perspectief, ontstaan opties voor het ontvangen van zorg elders in een decentraal netwerk en voelen zij zich gezien en serieus genomen. We verwachten dat dit de lijdensdruk verlicht en risico’s die verbonden zijn aan een lange wachttijd vermindert”.

    In de vierde alinea van pagina 13 lees ik de meest schrijnende constatering van deze kwartiermaker over de samenwerking tussen het VUmc met andere transgenderzorg organisaties. Daarin staat : “Verwezen personen worden op de reguliere wachtlijst van Amsterdam UMC en UMCG geplaatst, ook als zij het psychologisch traject hebben doorlopen, om te voorkomen dat dit een voorrangsroute wordt ten opzichte van andere aanmeldingen. Op basis van wat aan psychologisch onderzoek gedaan is, en dus wat hierover aan informatie wordt uitgewisseld, kan het traject binnen het academisch centrum sneller doorlopen worden. De indicatiestelling voor somatische zorg (puberteitsremming, genderbevestigende behandeling) vindt plaats binnen de academische centra”. In feite straft men daarmee transgenders die elders hun psychologisch traject hebben doorlopen met een dubbele wachttijd, namelijk zowel de wachttijd bij hun andere transgenderzorg instelling plus daarbovenop nog eens extra de wachttijd voor patiënten die zich voor dit psychologisch traject bij het VUmc of UMCG aanmelden !

    In de laatste alinea op pagina 20 wordt gesteld, dat expertisecentra als het VUmc en het UMCG, “nog meer dan ze nu al doen (?), in moeten spannen om hun kennis van transgenderzorg actief te delen met bestaande en nieuwe aanbieders en zorgprofessionals op te leiden”. Naar mijn mening zou een “Kennis en Zorg centrum Genderdysforie”, zich daarbij niet moeten beperken tot de aspecten aangaande de diagnose van genderdysforie en de puur medische aspecten van de daarvoor beschikbare transgenderzorg, maar tevens aan huisartsen en lokale psychologen advies en handvatten kunnen bieden om, indien zij in hun praktijk te maken krijgen met transgenders, deze mensen eerste lijn zorg te kunnen bieden vanaf de eerste confrontatie met dit soort gevoelens tot eventueel lang na het mogelijk afronden van hun laatste geslachtsveranderende operatie(s).

    Halverwege pagina 21 wordt terecht ook het aspect behandeld over het al of niet door de verzekering vergoeden van ingrepen inzake genderdysforie : “Als genderdysforie niet langer als aandoening beschouwd wordt, heeft dat ongetwijfeld gevolgen voor de status van de ‘behandeling’ als onderdeel van het basispakket. Een bezinning op wat verzekerd is en wat niet, is gewenst. Als daar grenzen in worden bereikt kan, indien daartoe politiek besloten wordt, altijd nog gekozen worden voor een alternatieve wijze van aanbieden en vergoeden van behandelingen”. Een duidelijk voorbeeld van deze laatstgenoemde mogelijkheid is de subsidieregeling voor borstvergroting, die zojuist in de Staatscourant werd gepubliceerd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *